De thermische isolatie van de vloeren zal gebeuren door het aanbrengen van een lichte cellulaire mortel op basis van polystyreenkorrels en vermiculiet, gemengd met cement en toeslagstoffen.
Indien de vloeropbouw en het leidingenpakket van de technieken dit toelaat, kunnen in deze mortel polystyreen- of polyurethaanplaten verwerkt worden om een nog hogere isolatiewaarde te bekomen. De voegen tussen de isolatieplaten worden met de isolerende mortel opgevuld en het bovenvlak van de isolatieplaten zal bedekt worden met een laag isolerende mortel van 4 à 5 cm.
Deze mortel wordt in de fabriek in droge vorm samengesteld en op de werf d.m.v. een industriële pomp gemengd met cement en water tot een goed verpompbare plastische mortel. Hierdoor wordt steeds een constante mortelkwaliteit aangeleverd.
De granulometrische korrelverhouding, de hoeveelheid bindmiddel en toeslagstoffen, evenals de water/cement factor zal zodanig zijn dat een isolerende mortel bekomen wordt met volgende eigenschappen :
Druksterkte : 0,8 à 1,2 N/mm²
Droge volumemassa : 280 kg/m³ ± 10%
Schijnbare volumemassa : 380 kg/m³ ± 10%
Warmtegeleidingscoëfficiënt l : 0,105 W/mK (rekenwaarde)
Brandreactie : klasse A1
Puntlast : > 550 kPa
Vermoeiing : < 0,04 mm
Aangeraden droogtijd tussen Perliton en chape : ± 2 dagen
Teneinde een U-waarde van ... W/m²K te bekomen, wordt een laag isolerende mortel van ... cm aangebracht.
Indien er een systeem van vloerverwarming toegepast wordt op de isolatiemortel, is het van het grootste belang dat alle leidingen van de technieken uitgevuld kunnen worden.
Het degelijk uitwerken van het leidingentracé dient dus met de nodige aandacht te gebeuren.