In veel documentatie en bestekteksten worden de begrippen brandreactie, brandbaarheid, ontvlambaarheid en vlamuitbreidings- of vlamvoortplantingssnelheid door mekaar gebruikt, terwijl ze een verschillende betekenis hebben.
Ook worden vaak waarden weergegeven die helemaal niet relevant zijn. Wij vonden het dan ook opportuun om op deze problematiek wat dieper in te gaan.
De brandreactie is een materiaaleigenschap die het geheel van kenmerken van een bouwmateriaal omvat met betrekking tot zijn invloed op het ontstaan en de uitbreiding van een brand. De classificatie van bouwmaterialen inzake brandreactie gebeurt op basis van de Belgische normNBN S 21-203 die drie proefmethodes voorziet :
Methode 1 volgens ISO 1182 : onbrandbaarheid
Een materiaal is onbrandbaar als het bij blootstelling aan een verhitting geen uitwendig verschijnsel van merkbare warmteontwikkeling vertoont. Het wordt dan geklasseerd als A0.
Een materiaal is brandbaar als het niet voldoet aan de bepaling van onbrandbaarheid. De classificatie gebeurt dan verder volgens methode 2 of methode 3.
Methode 2 volgens NF P 92-501 : ontvlambaarheid
Hieronder verstaat men de neiging van een materiaal om, bij blootstelling van dit materiaal aan een verhitting, gassen te ontwikkelen die vlammen kunnen voortbrengen.
Volgens deze methode wordt een materiaal in een van de volgend klassen ingedeeld :
Een klassering M0 kan met deze norm niet behaald worden, dit kan enkel met de Franse norm !
Methode 3 volgens BS 476 – Part 7 : vlamvoortplantingssnelheid
Hieronder verstaat men de snelheid waarmee vlammen zich, bij blootstelling van een materiaal aan een verhitting, langs het oppervlak van dit materiaal voortplanten.
Volgens deze methode wordt een materiaal in een van de volgend klassen ingedeeld :
Cl 1 : oppervlak met zeer kleine vlamvoortplantingssnelheid
Cl 2 : oppervlak met kleine vlamvoortplantingssnelheid
Cl 3 : oppervlak met gemiddelde vlamvoortplantingssnelheid
Cl 4 : oppervlak met grote vlamvoortplantingssnelheid
Indeling in brandreactieklassen :
Op basis van deze drie methodes worden de materialen ingedeeld in brandreactieklassen :
A0 : de onbrandbare materialen
A1 : de brandbare materialen behorend tot klasse M1 of Cl 1
A2 : de brandbare materialen behorend tot klasse M2 of Cl 2
A3 : de brandbare materialen behorend tot klasse M3 of Cl 3
A4 : de brandbare materialen behorend tot klasse M4 of Cl 4
Een klassering als A0 gebeurt op basis van methode 1.
Een klassering als A1 tot A4 gebeurt op basis van methode 2 of 3. Een van beide proeven volstaat om een klassering mogelijk te maken.
De nieuwe BUtgb-criteria voor isolerende mortels voor warmdak (cfr. bijlage 4) zijn qua brandreactie duidelijk : hier wordt een klasse A1 als criterium vooropgesteld.
Deze criteria zijn opgenomen in de ATG-goedkeuringen voor isolerende mortels voor warmdak die sinds oktober 1997 geldig zijn en die de vorige goedkeuringen vervangen.
Het "isolatiesysteem Perliton voor warmdak" voldoet volledig aan de nieuwste BUtgb-criteria en haalt dus ook de brandreactieklasse A1.
Voor wat betreft de brandreactie van eindlaagmaterialen van de dakbedekking zijn de voorschriften formeel :
In het uittreksel van het KB van 1997 vermeldt de NBN S 21-203 in art. 8.1 : "De eindlaagmaterialen van de dakbedekking behoren tot klasse A1."
Het WTCB-tijdschrift 1996/4 vermeldt in §2 : " Zo dienen de eindlaagmaterialen van een dakbedekking te behoren tot de brandreactieklasse A1."
Soms spreekt men van klasse M0. Dit is een Franse klasse die slaat op materialen die als onbrandbaar geklasseerd worden volgens de Franse norm NF P 444, die een proefmethode voorziet volgens NF M 03-005. Deze methode is echter zwakker dan methode 1 en van geen zin op de Belgische markt daar ze niet opgenomen is in de Belgische norm NBN S 21-203.